Martin Bucer (1491-1551), Over de ware zielzorg
Christenen vormen een totale en volkomen eenheid met elkaar. Immers, omdat zij één lichaam zijn, door één Geest leven, geroepen zijn tot één hoop en één zaligheid verwachten, één Heer belijden, één geloof hebben, zij allen zich door één doop van zichzelf losgemaakt hebben, ja zelfs gestorven en wedergeboren zijn tot één kindschap Gods in Christus, en zij ook één Vader in de hemel hebben, moeten zij wel een goddelijke, en derhalve de meest volmaakte, vriendelijke en trouwe broederschap, gemeenschap en eenheid met elkaar vormen. Trouwens, welke gemeenschap zou nog meer één van hart, bedoelen, woorden etc. kunnen zijn, dan die welke niets anders is dan het lichaam van Christus, dan die, welke alleen door de Geest van Christus leeft en waar niemand zichzelf, maar iedereen alleen maar Christus de Here zoekt. In zo’n gemeenschap is er alleen nog maar sprake van Christus.
Christenen hebben niet alleen de meest nauwe en unieke, maar ook de meest trouwe en ijverige gemeenschap met elkaar. Bovendien zijn zij ook allen ten zeerste geschikt en bereid om elkaar met raad en daad bij te staan, aangezien de één de nood van de ander zo wezenlijk ervaart en ondergaat, dat hij het voelt alsof het zijn eigen nood was. Immers, hoeveel christenen er ook zijn, zij zijn toch één lichaam en wel het lichaam van Christus. Daarom leeft, in Christus, de één steeds met de ander mee en dat is de ware christelijke bevinding, welke toch de allerhartelijkste en meest werkzame moet zijn. In iedere christen woont en werkt de Geest van Christus, en Hij werkt tot algehele opbouw van heel het lichaam en al zijn leden.
Derhalve is ook ieder lid, omdat het een lidmaat van Christus en werktuig van de Heilige Geest is, tot die buitengewoon heilzame arbeid aan het lichaam van Christus geroepen en heeft hij daarvoor ook de gave en kracht ontvangen. In zo’n gemeenschap is niemand werkeloos, vind je niemand die niet steeds bezig is mee te werken aan het heil van de ander, en ook niemand die niet de ander voor zijn eigen heil nodig heeft. Zij bezitten velerlei gaven, naar de genade die hen geschonken is. En zoals het met het menselijk lichaam gaat, zo gaat het ook bij de christenen: alle dienst en arbeid wordt des te meer gericht op die plaatsen waar de nood toeneemt, zowel wat de tijdelijke als wat de geestelijke nood betreft. Hierin verstaat ieder zijn eigen roeping, namelijk dat men aan de andere leden toegevoegd en door deze orde en roeping Gods met hen verbonden is.
Maar het werk van de christenen leidt steeds tot de algehele opbouw van de Kerk van Christus, en wel in die zin, dat er steeds meer christenen komen, en dat zij die al christen zijn, steeds volkomener christen worden. Hierdoor wordt dus op alle fronten het ware, godvruchtige leven bevorderd.
Fragment uit: Martin Bucer, Over de ware zielzorg. Vertaald en ingeleid door H.J. Selderhuis. Kampen, 1991 (Reformatiestudies/Vertalingen), 24v.




